En welke mogelijkheden zijn er om de samenwerking tussen publiek en privé verder te optimaliseren? Vlaams Minister voor Mobiliteit en Openbare Werken Ben Weyts ging in debat met zes specialisten.

Wanneer levert PPS een absolute win-win op?


Lieven Achtergael – Architect bij Architecten Achtergael en Professor bij UAntwerpen

Lieven Achtergael: “Er bestaan veel verschillende vormen van PPS, denk maar aan DB, DBM, DBFM,… Ieder van deze vormen heeft zijn specifieke eigenschappen en voorwaarden om tot een win-win situatie te komen. Goed opdrachtgeverschap is vaak de sleutel tot een succesvol PPS project.”

“Bij DB hangt bv. veel af van het programma en het voorbereidend werk dat is gedaan door de publieke partij. Helaas wordt PPS soms ook misbruikt om het opdrachtgeverschap door te schuiven naar de andere actoren. Een dossier dat niet voldoende is voorbereid door de aanbestedende overheid zal enkel maar meer kosten, langer duren en tot minder optimalisaties leiden.”

Stefan Devoldere: “Een absolute voorwaarde om tot een win-win te komen is dat men naast financiële winst ook maatschappelijke winsten nastreeft én bereikt. De sleutel daartoe zit hem inderdaad in een goede voorbereiding. Die voorbereiding kan dan wel wat langer duren, maar op lange termijn zorgt dit net voor meer winsten.”

“Ontwerpend onderzoek kan in die voorbereiding bijdragen tot een gefundeerde en doordachte beslissing over hoe men het project wil aanpakken. Door de vraag vanuit het ontwerp te onderzoeken kan je de vraag en de visie verscherpen, een gedeeld opdrachtgeverschap opbouwen en potentiële problemen voorzien. Je krijgt een goed antwoord als je de vraag ook goed stelt.”


Johan Maes – Directeur Projectfinanciering bij DEME

Johan Maes: “Onze ervaring leert ons dat er twee essentiële voorwaarden zijn voor een goede PPS. Ten eerste moet er vertrouwen zijn tussen de publieke en private partijen. In Vlaanderen hebben we met het Kenniscentrum PPS en de Participatiemaatschappij Vlaanderen twee organisaties die genoeg ervaring hebben om het vertrouwen van private partners te winnen en op lange termijn te behouden. Ten tweede is er nood aan een juiste risico allocatie. Ieder risico moet liggen bij die partij die er de beste controle over heeft. Men moet daarbij ook aanvaarden dat wanneer men meer risico’s bij de private partners legt, zij ook meer winstmarge verdienen. De overheid moet op dit vlak duidelijke keuzes maken.”

Sofie Logie: “De toepassing van PPS levert voornamelijk een win-win op wanneer het project ook een publiek programma omvat. Door de gezamenlijke realisatie kan het project kostenbesparend uitgevoerd worden. Op het vlak van gebiedsontwikkeling biedt PPS trouwens als bouwtechnisch voordeel dat er maar één aannemer voor zowel het publieke als het private project aan het werk is, hetgeen op het vlak van aansprakelijkheid ook niet onbelangrijk is.”

“Het publieke deel wordt afgeleverd als een ‘kant-en-klaar’ gebouw. Het gaat dan om een soort van promotie-opdracht. De overheid mag echter niet altijd verwachten dat het publieke deel ‘gratis’ is, omdat het bekostigd kan worden met de opbrengst van de projectgrond die zij ter beschikking stelt voor de realisatie van het private deel van de opdracht.”

Wat is het standpunt van de Vlaamse overheid hierin?


Ben Weyts – Vlaams Minister voor Mobiliteit en Openbare Werken

Ben Weyts: “Vanuit de Vlaamse overheid zien we ten eerste risicomanagement als een cruciale schakel in het creëren van een win-win situatie. Ten tweede moet het gaan over meer dan een zuivere financieringsoperatie en -constructie. De focus moet liggen op het optimaal benutten van de sterktes van de privépartners. Ten derde moeten we ook lessen trekken uit het verleden. Intussen hebben we op Vlaams niveau al doende enige ervaring uitgebouwd.”

“Anderzijds zijn zowel de Vlaamse overheid als de privépartners onderhevig aan het permanent voortschrijdende inzicht van Europa. De beslissingscascade waarin telkens moet worden teruggekoppeld met achtereenvolgens Eurostat, het INR en de Vlaamse overheid  zorgt voor een gebrek aan stabiliteit dat dringend moet worden opgelost. Op het terrein hebben we alvast samen met de private sector geleerd hoe we het beste uit elkaar kunnen halen, maar nu is er vooral nood aan een rechtszeker kader.”

Sven De Vos: “Bovendien is ook een integrale benadering zeer belangrijk. Terwijl bij een klassieke aanbesteding alles wordt opgesplitst in de hokjes ‘architect’, ‘aannemer’ en ‘onderhoud’, geeft een DBM de mogelijkheid om een optimale levenscyclusbenadering toe te passen waarbij de drie partijen hun ervaring en kennis delen. Ik ben dus blij om te horen dat ook de Vlaamse overheid niet enkel naar het financiële wil kijken. Debudgettering wordt alsmaar moeilijker, dus de focus moet liggen op kwaliteit.”

Een belangrijke voorwaarde voor meer openheid is vertrouwen. Daarom zou het een goed idee kunnen zijn om te werken via een open boek systeem met eenheidsprijzen.

Ben Weyts: “Ook vanuit investeringsstandpunt en omwille van de duurzaamheid is het onderhoud een belangrijk aspect. Het is een responsabiliserende factor die ervoor zorgt dat het ontwerp en de uitvoering doordacht worden aangepakt.”

Stefan Devoldere: “De PPS projecten waarbij de synergie tussen de drie zopas genoemde partijen doorheen het hele traject wordt volgehouden, zijn de projecten die de meeste kans hebben om een werkelijke meerwaarde te realiseren.”

Ben Weyts: “In het kader de levenscyclusbenadering en het belang van het onderhoudsaspect willen we naar een aanpak waarbij meer ruimte wordt gegeven aan de private partners en waarbij het finale resultaat voorop komt te staan. We moeten dus af van de klassieke aanbestedingslogica waarbij een te gedetailleerd bestek de focus op een optimaal resultaat bemoeilijkt.”

Steven Van Garsse: “Zeker bij klassieke overheidsopdrachten ligt de nadruk nog vaak op de prijs, terwijl PPS nu net de ruimte geeft om te optimaliseren. Ook dan is prijs nog een element, maar het wordt eerder globaal benaderd. Met PPS koopt de overheid een verzekering en draagt ze bepaalde risico’s over. Het spreekt voor zich dat hier dan ook een prijs tegenover staat.”

Waar liggen de grenzen van het mogelijke?

Steven Van Garsse: “PPS is niet voor alle projecten mogelijk. Wanneer de risico’s ondraaglijk worden heeft PPS weinig nut. Ofwel zal de risicoprijs onbetaalbaar worden, ofwel zal geen enkele marktpartij nog geïnteresseerd zijn. Zolang er een juiste risicoverdeling is en de marktpartij risico’s krijgt toebedeeld die ze ook effectief kan dragen, heb je een PPS-waardig project.”


Sofie Logie – Advocaat-vennoot bij Publius

Sofie Logie: “Wij hebben in het verleden projecten zien afspringen omwille van functievereisten die door de private markt niet commercieel aantrekkelijk genoeg bevonden werden voor het projectgebied, bv. doordat de verwezenlijking ervan verlieslatend is dan wel doordat de realisatie ervan een negatieve impact heeft op de verkoopbaarheid van andere delen van het project.”

“Een goede studie, voorafgaand aan het op de markt zetten van een opdracht, kan veel problemen besparen en verhoogt een goede projectrealisatie. Indien een voorstudie onvoldoende zekerheid biedt kan de concurrentiedialoog, waarbij de markt voorafgaandelijk aan het opstellen van het bestek geconsulteerd wordt, een oplossing zijn.”

Johan Maes: “Er is nog veel mogelijk in feite. Van de Belgische overheidsuitgaven gaat momenteel slechts vier procent naar investeringen. Het OESO-gemiddelde is tien procent. Sommige van onze buurlanden halen zelfs 15 tot 20 procent. Maar Europa moet wel een keuze maken, want momenteel zijn er twee tegenstrijdige richtlijnen.”

“Enerzijds is men er zeer strikt over dat alles op één jaar moet worden aangerekend in de begroting. Voor grote Vlaamse infrastructuurwerken is dat echter onmogelijk. Anderzijds heeft men met het Plan Juncker de ambitie om massaal te investeren in grootschalige en langdurige investeringen. De Belgische en Vlaamse overheid zitten hierdoor in een onmogelijke situatie.”

Ben Weyts: “Onze lijdensweg is vooral die onduidelijkheid en dus onzekerheid op Europees vlak. Ieder oponthoud en iedere herziening van het dossier neemt zeer veel tijd in beslag, mede omdat Eurostat voor zijn antwoorden niet gebonden is aan enige termijnen. Als we dan uiteindelijk toch een antwoord krijgen, is het vaak niet duidelijk wat dan het officiële standpunt is. We zijn dus vragende partij om een einde te maken aan de vooruitschrijdende inzichten.”

Zolang er een juiste risicoverdeling is en de marktpartij risico’s krijgt toebedeeld die ze ook effectief kan dragen, heb je een PPS-waardig project

“Voor de doortrekking van de N60 en de verhoging van de bruggen over het Albertkanaal hebben we via het INR nu een type overeenkomst voorgelegd aan Eurostat met de vraag of dat een standaard zou kunnen worden voor PPS projecten, waardoor er meer rechtszekerheid zou komen. Het is nu uitkijken naar een antwoord.”

Sven De Vos: “Iedereen kan zich vinden in de algemene visie dat de risico’s moeten worden toegediend aan de partijen die er het meeste invloed op hebben en die ze het beste kunnen inschatten, kwantificeren en verzekeren. Mede door de ESR-neutraliteit is de overheid echter dikwijls geneigd om alle risico’s bij de private partijen te leggen, inclusief de niet-economische en niet-kwantificeerbare risico’s.”

“De meeste private partijen trekken zich dan terecht terug, maar sommige bedrijven hebben de neiging om uit economische overwegingen toch in te stemmen en onredelijke risico’s te nemen. Op die manier creëer je als overheid geen stabiele lange termijn partner en zorg je ervoor dat de markt verschraalt.”

“Bovendien moet vooral op lokaal niveau bij de dossiervoorbereiding voldoende vrijheid worden gegeven aan de private partner om effectief zijn kennis en ervaring in te brengen in het kader van een levenscyclusbenadering. Dat kan niet als alles vooraf al is vastgelegd."

“Het bestek mag geen te uitgebreide wishlist zijn waar iedere betrokkene zijn eisen aan heeft toegevoegd. Zo verliest men zijn focus op de essentie: het eindresultaat. Vaak blijkt het dan uiteindelijk toch niet haalbaar en wordt het dossier ofwel stopgezet ofwel heraanbesteed, met een verlies van middelen en tijd tot gevolg.”

Wat dient er dan te gebeuren?

Lieven Achtergael: “Een belangrijke voorwaarde voor meer openheid is vertrouwen. Daarom zou het een goed idee kunnen zijn om te werken via een open boek systeem met eenheidsprijzen. Via een wekelijkse beoordeling worden dan de materialen, de werkuren en de winst van de aannemer op een transparante manier controleerbaar voor de overheid. De aannemer is van zijn kant zeker van zijn winst. Een goede voorbereiding is dan wel opnieuw belangrijk.”

“Een ander idee is dat de overheid vooraf een vaste prijs communiceert en dan vraagt aan de private partijen om een zo goed mogelijk voorstel te doen. Daarbij ligt de focus dan automatisch al meer op het kwalitatieve.”

Johan Maes: “Het probleem met het open boek systeem is dan wel dat men geen zicht heeft op de totale kost van het project. Een manier om dat op te vangen is een systeem van profit sharing. Je combineert dan een totale vaste prijs met een open boek, en de partijen bekijken dan samen op basis van eenheidsprijzen hoe het project evolueert. Indien men onder de totale vaste prijs blijft kan de winst dan verdeeld worden. Gaat men erboven, dan moeten er goede afspraken zijn over wie welk risico op zich neemt.”


Steven Van Garsse – Professor bij UHasselt en UAntwerpen, Partner bij Equator Advocaten

Steven Van Garsse: “Ook in het buitenland zie je dit soort van alliantiecontracten tot stand komen waarbij men een aantal gelijklopende belangen heeft. Op basis van een open systeem kijkt men dan wat de kosten en risico’s zijn, en hoe die tijdens de loop van het project goed kunnen worden beheerst. Of dit systeem van intense samenwerking beter is dan andere vormen moet echter per project individueel worden afgewogen.”

Sofie Logie: “Anderzijds mag de beschrijving van het voorwerp ook niet te ‘open’ geformuleerd zijn. De inschrijvers moeten immers weten wat de overheid concreet wenst. Zij moeten elk een gelijke kans krijgen om voor het project een gerichte oplossing voor te stellen, die ook voor realisatie in aanmerking komt.”

“Bovendien moet men vermijden dat men omwille van een te open formulering té verschillende voorstellen krijgt, waaruit men dan als overheid uiteindelijk geen keuze kan maken, al dan niet mede veroorzaakt omwille van intern uiteenlopende standpunten binnen de overheid.”

Ben Weyts: “In Vlaanderen wordt de kar nog te vaak overladen in de zoektocht naar een politiek draagvlak. Er worden door alle mogelijke betrokken partijen allerlei vereisten toegevoegd aan het dossier, waardoor de verwachtingen dan zo hoog komen te liggen dat men die onmogelijk allemaal kan inlossen. Dit gebeurt met veel goede bedoelingen, maar uiteindelijk krijg je de kar dan niet meer getrokken.”

Steven Van Garsse: “Binnen de Vlaamse overheid wordt nagedacht over het systeem van plafondprijzen, waarbij men duidelijk vastlegt wat de budgettaire ruimte is. Het is dan vervolgens aan de markt om kwalitatieve oplossingen te bedenken die passen binnen dat budget. Daarbij kan dan weliswaar niet alles van de wishlist worden verwezenlijkt.”

Ben Weyts: “Naar mijn mening moet de politiek hier zijn verantwoordelijkheid nemen en de keuze uit die wishlist niet doorschuiven naar de privé partners. De overheid moet zelf zijn prioriteiten stellen en de vraag moet juist zitten. Door vooraf meer nee te zeggen kunnen we uiteindelijk meer ja zeggen.”


Stefan Devoldere – Waarnemend Vlaams Bouwmeester

Stefan Devoldere: “Ook hier speelt het belang van een voorafgaand ontwerpend onderzoek. Door goed na te denken en te onderzoeken wat men echt wil en nodig heeft, komt men tot de juiste prioriteiten die vervolgens via een gefundeerde vraag kunnen worden gecommuniceerd naar de private partijen.”

“Dat onderzoek genereert ook inzichten die mogelijke synergiën opleveren tussen de betrokken partners. Een goed uitgewerkt referentieontwerp hoeft de vraag niet vast de betonneren, het heeft de private partners net een goede basis om innovatieve alternatieven te bedenken.”

Jullie conclusie?

Ben Weyts: “Het aantal PPS projecten zal in de toekomst nog verder toenemen, zeker op lokaal niveau. Maar er is dan wel nood aan een rechtszeker kader vanuit Eurostat. Men moet op Europees niveau keuzes maken, en die keuzes zullen een grote weerslag hebben op het Vlaamse en lokale niveau.”

“Verder is er nood aan een betere lokale ondersteuning. Wij moeten ons als Vlaamse overheid samen met het Kenniscentrum PPS als een dienstverlener opstellen en nog meer instrumenten alsook een kader aanreiken. Lokale overheden kunnen immers enkel maar winnen bij een gedegen begeleiding.”

Johan Maes: “Er is zeker en vast een toekomst voor PPS. We hinken in Vlaanderen zelfs achter op andere landen. Er moet echter nog meer gefocust worden op hoe PPS een meerwaarde creëert dankzij een besparing en terugverdieneffect op lange termijn.”

In Vlaanderen wordt de kar nog te vaak overladen in de zoektocht naar een politiek draagvlak.

Sven De Vos: “De levenscyclusbenadering is zeker een belangrijk voordeel van PPS. Maar men moet wel verstandig omgaan met de risico’s, want anders zullen we op termijn een verschraling van de markt krijgen. Ten slotte moet de Vlaamse overheid naar mijn mening verder gaan dan enkel het geven van advies aan lokale besturen. Er moet een echte code of conduct komen, waarin o.a. staat dat men verplicht advies moet inwinnen. Zonder regels komt er anders toch niets van in huis.

Steven Van Garsse: “Momenteel is het inwinnen van advies geen verplichting, maar we zien toch dat heel wat besturen advies of begeleiding vragen bij het Kenniscentrum PPS of bij de Vlaamse Bouwmeester. De kwaliteit van die projecten neemt dan merkbaar toe.”

Sofie Logie: “PPS, ja zeker! Maar mét een goede voorbereiding en weldoordachte keuzes. Men moet op politiek niveau  goed weten wat men wil vooraleer men een oproep lanceert. Deze ‘politieke’ wil moet vervolgens op zijn haalbaarheid worden afgetoetst bij zowel bouwtechnische, financiële als commerciële adviseurs.”

“De jurist komt voornamelijk pas op de proppen om het project vorm te geven nadat de haalbaarheid van het project vaststaat. Voor het welslagen van het PPS-project is het belangrijk dat er één gedeelde visie is binnen de aanbestedende overheid en dat het doorlopen van de voorbereiding van het project ook goed door de bevoegde politieke organen wordt opgevolgd.”

Lieven Achtergael: “Opdrachtgevers moeten nog meer beseffen dat de echte meerwaarde van PPS ligt in de kwaliteitsbenadering. Door te kijken naar goede voorbeelden in binnen- en buitenland kan men veel leren. Voorlopig wordt PPS nog te vaak gebruikt als een goedkoop lapmiddel om een project snel te realiseren zonder veel risico’s voor de opdrachtgever, met slechte kwaliteit als gevolg.”


Sven De Vos – Directeur Bouwteam, PPS & DBFM bij Willemen

Stefan Devoldere: “Het kader moet op alle niveaus worden geprofessionaliseerd. Hierin kunnen de Vlaamse overheid, het Kenniscentrum PPS en de Vlaamse Bouwmeester zeker een sleutelrol spelen. Vanuit een juiste begeleiding kunnen we ook bouwen aan een eensgezind multidisciplinair opdrachtgeverschap. Het ontwerp zal alleszins een belangrijke rol spelen in dat gedeelde project.”

Steven Van Garsse: “Omdat het moeilijk is om lokale besturen in een bepaalde richting te dwingen, moet er misschien overwogen worden om te werken met een charter dat vanuit de bedrijfswereld of de Vlaamse overheid wordt geïnitieerd. Via zo’n code of conduct kan een lokaal bestuur zich dan engageren om zich aan een aantal principes te houden bij het uitschrijven van PPS opdrachten. De bedrijfswereld engageert zich tegelijk van zijn zijde om bepaalde afspraken na te leven.”

“Onze maatschappij wordt alsmaar complexer, en er is een groeiende noodzaak om de talrijke uitdagingen waar we voor staan integraal aan te pakken. PPS blijkt een zeer goed middel om dat te doen, dus het zal zeker hoog op de agenda blijven staan.”